Over leven in een pastorie

…van een vrouw die haar handen vol heeft…

Dichtbij Jeruzalem

Je bent al een tijd met Jezus onderweg. Een paar jaar geleden is het avontuur begonnen. Je hebt je alledaagse bestaan opgegeven voor Jezus. Je leefde in de marge, wat jij deed werd eigenlijk nooit opgemerkt. Het was niet speciaal of buitengewoon. Je hebt het haast zonder erbij na te denken losgelaten en de nieuwe kans gegrepen. Natuurlijk. Alles om te ontsnappen aan het eentonige bestaan. Geen flauw idee had je wat het leven met Jezus je zou opleveren. Geen flauw idee had je welke richting het op zou gaan.

Inmiddels ben je bijna het hele land al doorgereisd. Nooit gedacht dat je zover zou komen. En nu zijn jullie bijna bij de eindbestemming: Jeruzalem. Al een tijdje bereidt Jezus jullie voor op het einde van de reis. Het geeft je een beetje een onzeker gevoel. Hoe moet het nu verder? Hoe ziet het leven er na het einde van de reis uit? Wat is jouw taak dan?

Jezus lijkt er wel van alles over te zeggen, maar je kunt het niet plaatsen wat hij zegt. En daar ben je niet de enige in. Soms kan Jezus ineens zo uitvallen. Dan is het net of hij zich hartstikke ergert aan jullie, aan jou. Een tijdje geleden gebeurde dat nog: je was onderweg naar de overkant van het meer van Galilea en jullie waren vergeten om brood mee te nemen. Best wel dom, want jullie hadden net duizenden mensen van eten voorzien. Het voelde ook wel een beetje knullig dat jullie er niet aan gedacht hadden nog wat brood mee te nemen – er was namelijk nog genoeg over…

En toen tikte Jezus jullie ook nog eens op de vingers: ‘Waarom bespreken jullie met elkaar dat je geen eten hebt? Hebben jullie er dan niets van begrepen? Jullie lijken wel blind!’ En je voelde je een beetje betrapt. Je schaamde je. Je voelde ergens wel aan dat Jezus een punt had, maar je kon het ook niet precies vatten.

Dat was wel het lastige met Jezus. Aan de ene kant had je het gevoel dat je Jezus aardig goed kende. Hij had je in de afgelopen tijd enthousiast gemaakt voor zijn manier van doen. Je was onder de indruk van zijn verkondiging – je zoog zijn woorden in je op, ze waren soms radicaal, dan weer troostrijk of juist hoopvol, ze zetten je aan om je leven op een andere manier in te richten, om andere prioriteiten te stellen, maar het eerlijk is eerlijk – het viel niet mee om dat ook altijd vorm te geven in je leven, dat bleek maar weer eens…

En er waren dus van die momenten waarop je het gevoel had dat je eigenlijk helemaal niets van hem begreep. Je herinnert je de keren nog wel dat hij sprak over zijn toekomst. Hij zag geen glorieuze toekomst voor zichzelf. Tenminste, niet echt. Hij had het maar over de dood. Akelig werd je ervan en je sloot je af voor die woorden. Je kon niet begrijpen dat hij dit serieus meende. Hoe zat het dan met zijn macht en kracht? Hoe zat het dan met het plan van God? Petrus had hem de ‘messias’ genoemd – nou, wat voor ’n messias is dat dan? Wat voor ’n verlosser gaat er nou dood? Gezalfden die dood gingen, hadden de Joden nou al genoeg gehad. Je begreep het gewoon niet: hadden jullie daar nou de afgelopen jaar naartoe gewerkt?

En het meest bizarre was nog dat hij aan de ene kant zei dat hij dood zou gaan en aan de andere kant dacht hij ook dat dat niet zijn einde zou zijn, omdat hij daarna zou opstaan uit de dood. Ja, je kende dat ook wel van de profeet Elia. Je wist dat Elia wel eens iemand uit de dood had teruggeroepen, maar zou deze man, deze Jezus, zou hij dat zelf kunnen? Of verwachtte hij daar soms iets in van hen?

Je snapte er niets van en zoals je dat wel vaker deed als je iets niet begreep – dan sloot je je er maar voor af. Je parkeerde het. Je kon je hoofd ook niet overal over breken. Dus ben je maar gewoon verder gegaan met Jezus te volgen. Je hebt de vragen naar de achtergrond gedrukt en je gaat onverminderd enthousiast met Jezus mee. Nou ja, onverminderd enthousiast… Je begrijpt het niet helemaal. Dat Jezus ervoor kiest om naar Jeruzalem te gaan. Al weken waarschuwt hij hen dat hij vermoord zal worden. Dat de wetgeleerden en priesters hem zullen doden. En dan kiest hij ervoor om naar het hol van de leeuw te gaan?

Nou ja, als Jezus daar voor kiest dan doe je mee. Zo ben je wel. Grenzeloos loyaal. En de stemming onder de mensen die Jezus verzameld heeft onderweg naar Jeruzalem is een beetje vreemd. Sommigen zijn euforisch – zoals Bartimeüs en dat snap je ook wel: jij zou ook uitzinnig van vreugde zijn als je je leven lang blind was geweest en dankzij Jezus nu ineens kon zien.

Maar de blijdschap van Bartimeüs is niet helemaal jouw blijdschap. Jij voelt je onzeker, een beetje angstig, jij houdt je hart vast voor wat komen gaat.

‘Ga maar vast naar het dorp’, had Jezus tegen jou gezegd. En je gaat. Je luistert naar Jezus, je wilt graag iets voor hem doen. En je voelt wel aan dat dit een bijzondere opdracht is. Je moet op zoek naar een jonge ezel, één waarop nog nooit iemand gereden heeft. En als iemand er een vraag over stelt, dan moet je gewoonweg zeggen: ‘De Heer heeft deze ezel nodig.’ Geen eerbiedig vragen of Jezus deze ezel alstublieft gebruiken mag – hij geeft jou de opdracht om de jonge ezel gewoonweg te halen. En je weet het: het zijn alleen de hooggeplaatsten die zo’n dier vragen. Jezus laat zichzelf hier zien als degene die alles in de hand heeft. Hij regelt, hij bestuurt, hij organiseert. En dat geeft je hoop. Zou hij dan toch orde op zaken gaan stellen? Zou hij dan toch het paleis van Herodes innemen en voortaan koning zijn?

Met een vastberaden tred loop je in de richting van Betfage. Samen met de andere leerling stap je stevig door. De Heer moet je natuurljk niet te lang op je laten wachten. Je praat met de andere leerling en jullie spreken elkaar moed in. Het zal heus wel goedkomen. Waarom zou hij anders een ezelsjong nodig hebben? Waarom heeft hij anders zo nadrukkelijk gezegd dat er nog nooit op gereden mag zijn? Dat is toch veelzeggend?

***

Je bent vastbesloten. Dit is de weg die je moet gaan. Je weet dat dit je bestemming is. Daarover heb je al zo vaak met je Vader gesproken. Je hebt je zorg gedeeld, je zorg over al die mensen die je ontmoet, al die problemen die je aanvoelt, al het onvolmaakte dat je tegenkomt, de gebrokenheid, het onvermogen, de schaamte, de schuld, al het verkeerde, het wrede, de onvrijheid. Het breekt je hart als je al dat ongeluk ziet, je huilt van binnen als je merkt dat de mensen het niet eens als ongeluk ervaren. Als je merkt dat mensen zich bij de situatie hebben neergelegd, als ze geen hoop meer hebben, als ze niet doorhebben dat God zoveel meer geven wil. Je hebt het er zo vaak met je Vader over gehad en je weet dat Hij een uitweg ziet.

Je kent de godsdienstige rituelen – Jozef en Maria hebben je er mee grootgebracht. Je kent de feesten die al eeuwen lang, generaties lang door jouw mensen gevierd worden. Straks is het weer zover: Pesach. Het feest van de uittocht uit Egypte. Het feest dat gevierd werd om de vrijheid die het jouw voorouders lang geleden gebracht heeft. Het feest dat het begin van de lente inluidt. Je hebt de stoet mensen vaak genoeg gezien: van heinde en ver komen ze naar Jeruzalem en ze dragen de offers met zich mee – het eerste graan van de akkers, de eerste lammetjes gaan mee als offerdier.

Je weet hoe vol de straten van Jeruzalem straks zullen zijn en het maakt je alleen maar meer verdrietig. Want je vraagt je af of al die mensen straks werkelijk lichter, bevrijd naar huis zullen gaan. Eigenlijk weet je het antwoord al. De bevrijding die jouw Vader eeuwen geleden heeft gegeven, het nieuwe leven in het land van de belofte, het land van overvloed – van dat leven is nog maar weinig over gebleven. De vrijheid is in Israels geschiedenis constant bedreigd door anderen – met als hekkensluiter de Romeinen. De overvloed is er lang niet altijd. Periodes van grote droogte en schaarste heeft jouw volk al volop meegemaakt.

Je ziet het zelf ook wel dat het zo niet door kan blijven gaan. Je ziet het zelf ook wel dat er geen andere oplossing is. Het blijft maar doorgaan: het onrecht, het kwaad, de verscheurdheid – en de mensen kunnen offeren wat ze willen, maar geen duif, geen graan, geen lam zal dat verhelpen. Er is geen offer op de wereld dat recht kan zetten wat er krom is.

Alles wat gegeven wordt, is uiteindelijk onvolmaakt. Er is er maar één die volmaakt is en dat ben jij. En je weet het. Je hebt je vrienden proberen duidelijk te maken dat je zult moeten sterven, maar ze begrijpen het niet. Je weet wel dat ze andere verwachtingen van jou hebben. En het doet je pijn. Het doet je pijn dat ze soms maar zo weinig begrijpen van wat je zegt en wat je doet. En tegelijkertijd weet je ook wel dat ze er niets aan kunnen doen – je weet ergens ook wel dat ze het maar amper zouden kunnen begrijpen. Maar dat maakt je niet minder eenzaam…

Als je vrienden terugkomen met de jonge ezel, dan voelt het zo dubbel. Je waardeert het gebaar: hun jassen die over de ezel heen gedrapeerd liggen als een eerbetoon aan jou; hun opgetogen blik – verwachtingsvol. Je wilt ook zo graag voldoen aan hun verwachtingen, maar je weet dat het anders zal zijn dan zij kunnen bedenken. Je waardeert het dat ze takken van de bomen plukken en er uitbundig mee zwaaien, je waardeert het dat de mensen voor je juichen. Hun roep roept ergens de vreugde op die bij een bevrijding horen, maar jij weet wat eraan vooraf zal gaan.

‘Hosanna!
Gezegend hij die komt in de naam van de Heer.
Gezegend het komende koninkrijk van onze vader David.
Hosanna in de hemel!’

Ja, dit gaat over jou. Jouw vrienden, de andere mensen, ze scanderen de woorden, maar alleen jij weet hoe waar die woorden zijn. Je zou willen dat de anderen het ook doorhadden, je zou willen dat de hele stad Jeruzalem tot inzicht zou komen – net zoals eens Ninevé zich bekeerde. Natuurlijk, in je hart hoop je nog steeds dat de andere mensen door deze woorden geraakt worden. Je gunt hen jouzelf…

Maar je komt steeds dichter bij de stadspoort. Jij en je vrienden – jullie raken een beetje in de verdrukking. Er is zoveel volk in Jeruzalem. En je vrienden vallen wat stil. Het lijkt ineens misplaatst dat ze enthousiast met takken lopen te zwaaien. Hun vreugderoep slaat dood op de muren van Jeruzalem, je ziet aan de ogen van de mensen in de straten dat je hen niet raakt. Ze kijken je aan alsof ze je niet kennen – en dat is ook zo. Ze kennen je niet.

***

‘Hoe zal ik U ontvangen’ zong je net. En dat is de vraag waarmee je deze week in mag gaan. Deze Stille Week. ‘Hoe zal ik U ontvangen, hoe wilt Gij zijn ontmoet?’ Als jij Jezus in de ogen kijkt, wat zal hij dan zien? Ontmoet hij dezelfde weerstand als in de straten van Jeruzalem? Ziet hij in jouw ogen ook dat je hem niet herkent, dat je hem niet erkent?

‘Ik breng U in psalmen mijn jubelende groet’ Oh, en wie breng je dan je groet? En jubel je daarbij? Of ben je blij dat jij niet in die optocht rond dat ezeltje loopt? Wie ga jij deze week gedenken? En wat denk jij eigenlijk van dat kruis?

Je loopt straks weer de kerk uit. Je zet thuis een bak koffie of een pot thee, je ploft op de bank en pakt de krant, de afstandsbediening of nog een koekje. En je bent hem al weer vergeten. Je bent de verwarring van zijn vrienden al snel weer kwijt, je bent de eenzaamheid van Jezus al snel weer kwijt. Of…?

Tekst uitgesproken op zondagmorgen 29 maart 2015 in de Gereformeerde Kerk Ottoland, n.a.v. Marcus, hoofdstuk 11 vers 1 t/m 11Voorafgaand aan deze tekst werd Gezang 117 uit het Liedboek voor de Kerken gezongen. Beeld bij dit blog is een detail uit de liturgische bloemschikking: de rode bloemen symboliseren de mantels die door de mensen op de weg waren neergelegd als een rode loper.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: