Over leven in een pastorie

…van een vrouw die haar handen vol heeft…

De profetie van Habakuk – hoofdstuk 2

Habakuk is een mens in verwarring. Grote verwarring. Hij maakt zich ernstige zorgen over het Joodse volk. Er is onrecht en ellende, geweld en onderdrukking, constante strijd. Niemand kijkt er nog naar de wet, niemand leeft nog volgens het recht. Habakuk ziet het om zich heen gebeuren en hij roept naar God: ‘Hoelang nog? Wat is dit nou voor een puinhoop? Hoelang gaat dit nog zo door? Komt die redding van U nou nog? Waarom laat U dit gebeuren? Waarom geeft U mij geen antwoord, hoort U mij niet roepen?’

En ja hoor, God hoort Habakuk wel roepen en Hij laat de ellende in Juda niet zomaar voortduren. Hij zál ingrijpen en zijn redding zál komen en dat duurt niet eens meer zo heel lang. En je ziet Habakuk als het ware al een zucht van verlichting inzetten – totdat je hoort wat God zegt over de manier waarop zijn hulp zal komen.

Het meest verschrikkelijke volk dat er in die tijd was, het volk van de Chaldeeën, het meest gewelddadige volk van die tijd zal naar Juda trekken. En de ellende zal dus alleen maar groter worden. Gods redding komt door het geweld van de Chaldeeën heen. Onbegrijpelijk voor Habakuk. Hoe kan God het geweld van die goddeloze Chaldeeën aanzien? Hoe is het mogelijk?

Maar ondanks alle verwarring, ondanks alle vragen keert Habakuk zich niet van God af. Hij blijft hulp en redding, hij blijft antwoorden van God verwachten:

Habakuk 2 
1 Ik ga nu op mijn wachtpost staan,
betrek mijn post op het bolwerk,
kijk uit om te zien wat de HEER mij zal zeggen,
wat hij mij antwoordt op mijn verwijt.

Net als Habakuk kun jij talloze vragen hebben… Waarom laat God het toe dat mensen in eenzaamheid sterven aan ebola of door honger, omdat ze in quarantaine gezet zijn en het eten is op? Waarom laat God het toe dat mensen die op Hem vertrouwen sterven door kogels, zwaard of andere martelingen? Waarom laat God het toe dat kinderen sterven nog voor ze tot bloei gekomen zijn? Waarom laat God het toe dat ziekte mensenlevens verwoest? Waarom laat God het toe dat mensen ruzie maken en anderen tot op het traumatische af verwonden? En vul je eigen waarom-vragen maar in…

En vanuit Habakuk komt dan de vraag: heb jij het geduld om te wachten op Gods antwoord? Durf jij te blijven hopen op een antwoord? Of heb je dat opgegeven, heb je voor jezelf uitgesloten dat er een antwoord komt van God. Want hopen en verwachten kan o zo pijnlijk uitpakken als er niets komt en het wachten eindeloos lijkt… En dat opgeven – dat kun je zelfs met heel nobele motieven doen, zo van: ik wil God niet ter verantwoording roepen, ik mag dat niet van Hem verwachten, dat is mijn eigen verantwoordelijkheid, ik wil van God geen antwoorden vragen, want Hij heeft wel belangrijkere zaken te regelen…

Tegelijkertijd zie je iemand als Habakuk die God als het ware op het matje roept, Job die God ter verantwoording roept, Jesaja die uitleg vraagt. Geen van deze mannen wordt door God terecht gewezen. Geen van hen wordt verweten brutaal te zijn. Geen van hen wordt de mond gesnoerd. Nee, God antwoordt – weliswaar op zijn tijd en op zijn eigen wijze, maar Hij laat deze mannen niet ronddolen in hun vragen.

2 Dit was het antwoord van de HEER.
Schrijf dit visioen op,
grif het duidelijk in platen, zodat het snel te lezen is.
3 Het visioen wacht tot zijn tijd gekomen is,
het getuigt ervan, het liegt niet.
Ook al is het nog niet vervuld,
wacht maar, het komt zeker,
het zal niet uitblijven.

Nogmaals: op Gods tijd en op Gods wijze…

4 Wie niet oprecht is kwijnt weg,
maar de rechtvaardige zal leven door zijn trouw.

5 Zo bedrieglijk als de wijn is,
zo hoogmoedig is deze man,
maar hij zal zijn doel niet bereiken.
Net als het dodenrijk spert hij zijn keelgat open,
net als de dood raakt ook hij niet verzadigd.
Hij verzamelt alle volken om zich heen,
haalt alle naties naar zich toe.

Zie, let op! De trotse – zijn ziel is niet oprecht in hem. Trotse mensen zijn opgeblazen mensen, gebakken lucht. Zij zijn niet oprecht en kunnen dus ook geen oprecht leven leven. En trotse mensen – ze trekken uiteindelijk aan het kortste eind – God zal hun hooghartigheid veroordelen. Dus Habakuk hoeft zich geen zorgen te maken. Voor dit moment laat God de gruwelijkheden van de Chaldeeën toe, maar uiteindelijk komt er een einde aan hun overmacht. Die trotse Chaldeeën zijn niet oprecht, hun ziel is niet oprecht in hen, dus uiteindelijk kunnen zijn Gods oordeel niet ontlopen. Want alleen de rechtvaardige – die zal leven door zijn standvastige trouw. De rechtvaardigen – dat zijn de gelovigen die blijven hopen op de Heer. De rechtvaardigen – dat zijn de mensen die in het bijbelboek Hebreeën genoemd worden als voorbeeld van geloof.

Habakuk heeft met verbijstering uitgeroepen: ‘Wij zullen niet sterven!’ Kom op, dit kan niet waar zijn, wij zijn het verbondsvolk, hoe zit het met uw trouw?! En God zegt nu: er is leven, je zult leven – als je trouw blijft aan Mij. Je zult leven door geloof. Het is de lijn die door de hele Bijbel heen zichtbaar is: door geloof zul je leven en ondanks ongeloof van Israël, ondanks ontrouw van Israël, zal er altijd een groep zijn die overleeft, niet iedereen keert zich van de Heer af, niet iedereen treft het oordeel. Al is de situatie onder de Joden nu verschrikkelijk, al wordt Juda overspoeld door wetteloosheid, conflicten en geweld – er zijn mensen die geloven en het verbond trouw blijven. Habakuk is er één van. En er zullen met hem nog anderen zijn. De profeten denken vaak dat ze de enige zijn, maar dat is niet zo. Er is hoop, maar het zijn maar kleine lichtpuntjes gezien de ellende die eerst nog komt… Want de Chaldeeën verslinden steden en haar bewoners nietsontziend en genadeloos. Zoals het dodenrijk haar keelgat opent en nooit verzadigd raakt, zo zijn de Chaldeeën.

‘Uw ogen zijn toch te zuiver om kwaad aan te zien’ beet Habakuk de Heer toe en inderdaad: God kan het onrecht niet verdragen, Hij kan het geweld van de Chaldeeën niet eindeloos laten doorgaan, Hij kan de arrogantie van dit gewelddadige volk niet laten voortrazen. En God stelt Habakuk gerust: ze zullen uiteindelijk hun doel niet bereiken – er komt redding. Het is het evangelie in een erg ruwe vorm…

6 Iedereen zal spreuken op hem toepassen, spotliederen en raadsels.
Ze zullen zeggen:

‘Wee hem die zich verrijkt met andermans goed
en zo een steeds zwaardere schuld op zich laadt.
Hoe lang gaat hij daar nog mee door?’
7 Denk je niet dat je schuldeisers plotseling zullen opstaan,
dat je bedreigers wakker zullen worden?
Dan word jij hun prooi!
8 Je hebt vele volken geplunderd,
andere volken zullen jou plunderen.
Je hebt bloed vergoten,
je hebt gewelddaden begaan
tegen het land, de stad en haar bewoners.

9 ‘Wee hem die woekerwinsten maakt ten bate van zijn huis,
zijn nest in de hoogte bouwt,
om zo uit de greep van het onheil te blijven.’
10 Wat je van plan bent is je huis tot schande,
door vele volken te vernietigen verspeel je je leven.
11 Zelfs de stenen klagen je aan vanuit de muur,
en de balken stemmen ermee in vanuit het gebinte.

12 ‘Wee hem die een stad bouwt op bloed
en een vesting op onrecht.’
13 Is dit niet de wil van de HEER van de hemelse machten:
volken zwoegen voor een verslindend vuur,
landen matten zich af voor niets?
14 Maar zoals de zee vol water is,
zo zal de aarde vol kennis van de grootheid van de HEER zijn.

15 ‘Wee hem die iemand te drinken geeft
en daar gif aan toevoegt,
die iemand dronken voert om hem naakt te zien.’
16 Vol van schande ben je, zonder eer;
ook jij zult moeten drinken en je voorhuid laten zien.
De rechterhand van de HEER reikt je de beker aan,
schande over je eer!

17 Het geweld tegen de Libanon zal je achtervolgen,
de slachting onder de dieren zal je verbijsteren,
net als het bloed dat je vergoten hebt
en de gewelddaden die je hebt begaan
tegen het land, de stad en haar bewoners.

18 Wat heb je aan een godenbeeld,
gebeeldhouwd door zijn maker?
Aan een gegoten beeld dat leugens verkondigt?
Wie vertrouwt zich nu toe aan wat hij zelf heeft gemaakt?
Wat hij maakt zijn stomme afgoden!
19 ‘Wee hem die tegen een stuk hout zegt: “Word wakker!”
en tegen een stomme steen: “Sta op!”’
Zal dat beeld iets verkondigen?
Het is wel gevat in goud en zilver,
maar er zit geen leven in.
20 De HEER troont in zijn heilig paleis.
Aarde, wees stil voor hem!

‘Uw ogen zijn toch te zuiver om kwaad aan te zien’ zei Habakuk tegen God. Ja, inderdaad: om Israël te straffen voor haar onrecht, ontrouw, haar geweld en wetteloosheid zal God de Chaldeeën gebruiken. Maar uiteindelijk zullen deze goddeloze moordmachines zelf ook geoordeeld worden. Alles wat de Chaldeeën anderen hebben aangedaan – dat komt als een boemerang terug.

Eind goed, al goed. ’t Is een heftige profetie, maar goed, boontje komt om zijn loontje.

Maar pas op voor zelfgenoegzaamheid. Naar aanleiding van hoofdstuk 1 zei ik al dat wat Habakuk van God te horen krijgt minder ver van onze bed staat dan je misschien denkt. Natuurlijk: het is de geschiedenis van het Joodse volk. Het gaat om de zonden van Israël. Het gaat om het oordeel over Israël, over de verwoestende macht van de Chaldeeën die Jeruzalem onder de voet hebben gelopen, haar bevolking heeft weggevoerd in ballingschap naar Babel. Natuurlijk, het gaat in eerste instantie over lang vervlogen tijden.

Maar…hoeveel is er sindsdien veranderd?
Is er minder geweld dan ten tijde van Habakuk?
Is er minder onrecht?
Zijn we verdraagzamer en vredelievender?
Leven we meer met God dan de tijdgenoten van Habakuk?

Hoeveel anders zijn wij dan de Chaldeeën? Oké, de tijd dat Nederlanders de wereld overtrokken om andere landen in te nemen – die tijd ligt achter ons. Maar zijn we daarmee ook werkelijk beschaafder geworden?

Kijk maar eens goed naar wat er over de Chaldeeën gezegd wordt!

– ze verrijken zich met andermans goed
– ze wanen zich veilig door anderen uit te persen
– ze bouwen op bloed en onrecht
– ze voeren anderen dronken en maken hen ten schande
– ze vereren dode afgoden

En waarom? Om hun eigen trots. Om zich grootser voor te doen. Om zichzelf op te blazen. Om zich god te wanen – net zoals de eerste mensen als God wilde zijn, net zoals de mensen die een hoge toren wilde bouwen tot in de hemel. En die drang zit in ons allemaal. We bouwen aan onze zekerheid ten koste van anderen. Dat zie je heel duidelijk in het Midden-Oosten. Niemand wil overheerst worden door een ander. Daarom slaan mensen terug. Of delen ze als eerste klappen uit. De Palestijnen willen niet overheerst worden door de Israeli’s, de Israeli’s vechten tegen de Arabische machten die Joden haten. De Islamitische machten willen geen overheersing door westerse machten en het Westen vreest het onmenselijk geweld van ISIS.

Er is angst. Angst dat je zult onderdoen voor de ander. En die angst is in het groot – op wereldniveau, maar die angst is er ook in het klein. Kijk maar eens naar een familie, een gezin: hoe vaak is er niet één familielid dat zich altijd tekortgedaan voelt? Hoe vaak is er niet één gezinslid dat altijd loopt te schoppen, dat altijd anderen in een kwaad daglicht probeert te zetten om er zelf goed bij af te steken?

Kijk maar eens naar een gemeente: hoe vaak is er niet een groepje mensen dat verongelijkt is, omdat hun voorkeuren steeds het onderspit lijken te delven? Hoe vaak is er niet een groepje mensen dat maar blijft drammen, omdat het nou eenmaal zo hoort of omdat ze zeker weten dat God het zo zou willen?

Kijk maar eens naar jezelf: wat heb jij allemaal wel niet nodig om je goed te voelen? Wat heb jij allemaal wel niet nodig om je wat zekerder te voelen? Op welke mensen kijk jij stiekem niet een beetje neer, over wie heb jij in gedachten al lang een oordeel gevormd – dom, slecht, onverantwoordelijk, naïef, ongedisciplineerd, saai, vrijzinnig, te blij, uitslover, heilig boontje, klaploper…

Ten koste van wie of wat zet jij je af, verstevig jij je eigen positie, schudt jij je eigen pluche op? Chaldeeën, Nazi’s, ISIS-beulen, Boko Haram-strijders of jij en ik – we zijn allemaal mensen in wie de angst om te verliezen huist en we doen er van alles aan om de angst eronder te houden.

Jezus heeft die spiraal van geweld en haat, van zonde en dood doorbroken – ook al zien we daar misschien niet zoveel van. De gifbeker die God aan de Chaldeeën toezegt, heeft Jezus aangepakt en leeggedronken. Hij heeft zich vernederd, kleiner gemaakt dan alle ander mensen, dat wat mensen uit zichzelf niet kunnen, heeft Hij gedaan: de laagste plek innemen, zichzelf minder achten dan de ander, Hij heeft alle angst overwonnen. Zó kon Hij sterven.

Habakuk was verbijsterd over de ellende om hem heen, hij werd razend van machteloosheid toen hij van God hoorde dat er nog meer ellende over hen heen zou komen. Maar God laat Habakuk ook iets proeven van zijn rechtvaardigheid. Het is niet zo dat dit een voorspelling is die één op één in de geschiedenis is uitgekomen. Ja, de Chaldeeën zijn ten onder gegaan. Maar de aarde is nog geen moment vol geweest van de heerlijkheid van de Heer.

Er klinkt toekomstmuziek in deze woorden die eigenlijk schreeuwen om een verlosser die het proces van gehoorzaamheid en zegen, van zonde en vloek doorbreekt. Jezus. De man die de weg van lijden en dood ging om zo verheerlijkt te worden, om dezelfde status te krijgen als zijn Vader, als God. De man die op een gruwelijke manier moest sterven om gelijk te worden aan God. Dat is de uitweg uit alle ellende. Dat is deur waardoor je kunt ontsnappen aan angst. In alle moeite gaat Hij ons voor.

verkondiging in de Gereformeerde Kerk Ottoland op zondagmorgen 14 september 2014
zie ook: ‘De profetie van Habakuk – hoofdstuk 1

Advertenties

Eén reactie op “De profetie van Habakuk – hoofdstuk 2

  1. Pingback: De profetie van Habakuk – hoofdstuk 3 | Over leven in een pastorie

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: