Over leven in een pastorie

…van een vrouw die haar handen vol heeft…

De profetie van Habakuk – hoofdstuk 1

Er is blijkbaar één vraag die mensen van alle tijden en alle plaatsen bezighoudt: als er een God is…waarom is er dan zoveel ellende…houdt het dan nooit op, waarom moet dat zo, als er een God is…waarom grijpt Hij dan niet in? De waarom-vraag lijkt een universele vraag die in verschillende gedaanten gesteld wordt. Habakuk stelt ‘m ook, maar wel op zijn manier en in zijn context.

Habakuk 1 vers 1 t/m 4

1 Profetie; visioen van de profeet Habakuk.

2 Hoe lang nog, HEER, moet ik om hulp roepen

en luistert u niet,

moet ik ‘Geweld!’ schreeuwen

en brengt u geen redding?

3 Waarom toont u mij dit onheil

en ziet u zelf de ellende aan?

Ik zie slechts verwoesting en geweld,

opkomende twist en groeiende tweedracht.

4 De wet wordt ondermijnd,

het recht krijgt niet langer zijn loop,

de wettelozen verdringen de rechtvaardigen,

het recht wordt verdraaid.

Het wordt hier aangekondigd als een profetie wat de profeet Habakuk te zien krijgt, maar weet je – het is geen schitterend vergezicht, geen paradijselijk bestaan wat Habakuk te zien krijgt. Wat hij onthuld krijgt, is een last. Het drukt zwaar op hem en hij begrijpt er niets van. Habakuk is een mens in verwarring. Hij heeft vragen over de omstandigheden waarin het volk van God leeft.

We hebben het hier over de tijd van koning Jojakim die in Juda regeerde rond 600 voor Christus. Een koning die – zoals de Bijbel dat steeds met dezelfde woorden omschrijft – deed wat slecht is in de ogen van de Heer. Dat betekende dat Jojakim een koning was die niet leefde naar de wetten van God en daarmee het verbond met de Heer op het spel zette. Dat betekende dat het een tijd was waarin afgodendienst kon floreren en dat de koning leefde voor zichzelf en niet het belang van God en volk op ’t oog had.

Habakuk leeft onder dat bewind en ziet het met verbijstering aan: onheil en ellende, verwoesting en geweld, twist en tweedracht – waarom?! Waarom al deze problemen, waarom al deze narigheid, waarom?! En daarvoor had Habakuk al uitgeroepen: ‘Hoelang nog? Hoelang moet ik nog om hulp blijven schreven en luistert U niet? Hoelang roep ik al niet dat het geweld teveel is, te groot en U brengt helemaal geen redding?’

Het zijn herkenbare vragen die Habakuk stelt, toch? Hoelang gaat dit nog zo door? Wat is er waar van die redding van U? Hoelang moeten we nog doorgaan met bidden? Heeft dat eigenlijk wel zin, er verandert toch niets?! Waarom is er zoveel ellende in deze wereld? Wat heeft dat lijden voor zin? Waarom laat U dit allemaal gebeuren, waarom doet U niets?

Of – en dat lijkt een verschil van niets, maar dat is het misschien wel – of klinken de vragen in onze tijd net iets anders: Als het waar is dat er een God is, waarom laat Hij dat lijden dan allemaal maar gebeuren, waarom grijpt Hij niet in? Nee, God zal wel niet bestaan, want dit is niet te rijmen met een machtige, liefdevolle God…

Want dat is de ontwikkeling die je vaak ziet hè. Bij anderen, maar misschien ook wel bij jouzelf. Eerst stel je je vragen nog aan God zelf, bid je nog om zijn hulp en zijn ontferming voor de wereld, voor jezelf. Eerst roep je God nog aan – net zoals Habakuk God aanriep. Maar op een gegeven moment word je het roepen moe. Als zijn hulp en redding uitblijft, dan wordt het roepen minder en zwakker totdat je Hem helemaal niet meer direct aanspreekt, maar je over God je beklag doet bij anderen of Hem zelfs afschrijft – hardop of in je eigen gedachten.

Bij Habakuk is daarvan geen sprake: Habakuk spreekt God aan. En dat doet hij met duidelijke taal. Oké, ik geef toe: zoals het dan in de Bijbel is opgeschreven klinkt het allemaal wat wollig, op het poëtische af, maar in de Hebreeuwse woorden klinken heftige emoties: gevoelens van ontzetting en onmacht, van wanhoop – Habakuk staat perplex. Niets is meer zoals het zou moeten zijn: dit is toch het volk van God dat een verbond had gesloten met de Heer, dat zijn wetten op schrift had gekregen en daar naar zou moeten leven? Het tegendeel is waar: het onrecht heerst, wetteloosheid is aan de orde van de dag. Hoe is het mogelijk? En belangrijker nog: hoelang gaat dit nog zo door.

Niet lang meer. Dat is het antwoord van God. Niet lang meer zal het zo doorgaan. God gaat hen verlossen uit de ellende. Maar de manier waarop zijn redding komt – ai, dat is niet mis. Dát is de last die Habakuk te zien krijgt. Luister maar naar het antwoord dat God geeft, want God hoort Habakuk wel degelijk roepen!

Habakuk 1 vers 5 t/m 11

5 Kijk naar de volken, let goed op,

jullie zullen verbaasd zijn en verbijsterd!

Er gebeurt iets, nog tijdens jullie leven,

iets zo uitzonderlijks

dat je het niet zult geloven

als het je wordt verteld.

6 Ik laat de Chaldeeën komen,

dat grimmige, onstuimige volk,

dat de hele aarde doorkruist

om andermans woonplaatsen te bezetten.

7 Geducht en gevreesd is het,

het stelt zijn eigen wet,

vertrouwt op eigen macht.

8 Sneller dan panters zijn hun paarden,

feller dan wolven in de avond.

Hun ruiters komen aangestormd,

van verre vliegen ze aan,

als arenden duiken ze op hun prooi.

9 Dat hele volk komt aangestormd,

met geweld rukt het op;

onstuitbaar als de oostenwind

maakt het gevangenen, als zandkorrels zo veel.

10 Met koningen drijft het de spot,

met aanvoerders speelt het een spel,

om vestingen lacht het:

het werpt wat aarde op en neemt ze in.

11 Dan trekt de wind verder en waait voorbij.

Boeten zal hij die van zijn kracht zijn god maakt.

Mijn redding komt snel, zegt God. Nog tijdens jullie leven. God geeft zijn antwoord niet alleen aan Habakuk, maar aan het hele volk. Jullie zullen het meemaken. Ik ben trouw aan het verbond dat ik met jullie gesloten heb. Maar juist door mijn trouw zal mijn verlossing er anders uitzien dan jullie gedacht hadden. Want het geweld en het onrecht en de wetteloosheid – dat ga ik niet zo maar oplossen. Zo hadden we het niet afgesproken! Ik heb jullie toch verteld dat als jullie naar mij luisteren het jullie goed zou gaan in het land dat ik aan jullie voorvader Abraham had beloofd? En ik heb erbij gezegd dat als jullie niet naar mij luisteren dat jullie dan ellende te wachten zou staan? Aan de mooie beloften ben ik trouw, maar ook aan het andere: ik kan het geweld en het onrecht en jullie ongehoorzaamheid niet zo maar wegdoen.

Daarom zal ik een vijand op jullie afsturen: de Chaldeeën – een volk afkomstig uit de streek die nu Irak heet. En de Chaldeeën zullen een verschrikking zijn voor jullie. Geducht en gevreesd zijn ze – en terecht, want jullie denken dat jullie onbereikbaar zijn voor hen, maar wacht maar: voor je ’t weet zijn ze hier. En met geweldige kracht en macht zullen ze jullie overmeesteren…

Hoe is het mogelijk? Habakuk roept het uit naar God. Hij schreeuwt om redding. En dan krijgt hij dit antwoord. Geweld als antwoord op geweld. Verschrikking als antwoord op de ellende waar hij al in verkeert. Habakuks verwarring wordt alleen maar groter. Geen wonder dat het visioen dat hij ziet, het antwoord dat hij van God krijgt dat dat een last is. Dit is geen goed nieuws. Dit is geen evangelie. Dit is verschrikkelijk. En Habakuk begrijpt er niets van. Dit is een kritiek moment. Want het is niet ondenkbaar dat Habakuk er nu het bijltje bij neergooit. Dit is het moment waarop Habakuk zich zou kunnen afsluiten voor God en voor wat Hij zegt. Gewoonweg omdat het té moeilijk is om te bevatten. Omdat deze God niet te rijmen valt met het beeld dat hij had van zijn Heer. Omdat hij het niet wil geloven… Dit is het moment waarop Habakuk zou kunnen zeggen: ‘Laat maar… Als dit het is, nee…laat dan maar…’

Maar dat doet hij niet. Habakuk verbreekt het contact met God niet…

Habakuk 1 vers 12 t/m 17

12 Bent u, HEER, niet altijd mijn God, mijn Heilige geweest?

Wij zullen toch niet sterven?

Om het vonnis te voltrekken, HEER,

hebt u de Chaldeeër opgeroepen,

u hebt hem ertoe bestemd, o Rots,

om ons te straffen.

13 Uw ogen zijn te zuiver om het kwaad te kunnen aanzien,

de ellende te kunnen verdragen.

Waarom dan verdraagt u deze trouwelozen,

zwijgt u, nu de wetteloze verslindt

wie rechtvaardiger is dan hij?

14 Als vissen in de zee maakt u de mensen,

als kruipende dieren zonder leider.

15 De Chaldeeër slaat ze allemaal aan de haak,

sleept ze mee in zijn net, verzamelt ze in zijn fuik.

Daarom is hij blij en vrolijk,

16 brengt hij offers aan zijn net,

brandt hij wierook voor zijn fuik,

alles voor een vette buit, een overvloedig maal.

17 Mag hij maar doorgaan zijn netten te legen,

meedogenloos volken blijven vermoorden?

 Kom op, wat is dit nou?! Habakuk schreeuwt het van verbijstering uit. Boosheid klinkt in zijn stem, in zijn woorden door. ‘Bent u niet altijd mijn God geweest?’ Wat maakt u me nou? Wij zullen niet sterven, wij zijn uw volk, wij zijn de mensen die u nooit – hoort u dat: die u nooit uit uw handen zou loslaten! En nou heeft u dat verschrikkelijke volk van de Chaldeeën ingeschakeld om ons te straffen?! Waar slaat dat op? Weet u wel wat voor mensen dat zijn die u nu op ons afstuurt? Hoe kunt u dat nou doen? Uw ogen zijn zo zuiver, hoe kunt u dan dat kwaad aanzien? Hoe kunt u dan deze goddeloze mensen gebruiken, hoe kunt u dit als antwoord geven op m’n vragen? Zou de Heer wel weten wat Hij voor mensen gaat inschakelen? Habakuk kent de verhalen over die opkomende grootheid. Hij weet wat voor ’n verwoesting de Chaldeeën gebracht hebben. Hoe kan God zo’n verdorven volk als de Chaldeeën zijn nou verkiezen boven zijn eigen volk? Hoe kan Hij zoveel verwoesting toelaten? Het oordeel lijkt zo onrechtvaardig. Habakuk wijst God op de vreselijke wijze waarop de Chaldeeën in het verleden andere mensen behandeld hebben. Wat een vernedering – niets stelden deze mensen meer voor, ze waren als vissen aan een hengel of in een net. En de middelen die ze gebruiken om anderen te pijnigen worden door de Chaldeeën vereerd. Nooit vertonen de Chaldeeën medelijden. Hoe kan God zich met zulke mensen inlaten? Ja, Israël heeft correctie nodig – maar in deze vorm? Op deze gruwelijke wijze? De profeet kan er niet bij…

Het is ook bizar. Dat je om redding roept en roept en roept en dan krijg je uiteindelijk antwoord en krijg je te horen dat er alleen maar meer ellende aankomt.

En toch is dát precies de handelswijze van God. Hoe donkerder de nacht hoe helderder de morgenster schittert. De redding van God komt niet zo maar. Genade en vergeving is niet iets dat zo maar gegeven wordt. Het gaat door de diepte van het leven heen. Een diepte waar wij ons maar moeilijk een voorstelling van kunnen maken. Of nee, misschien kunnen wij dat juist nu wel iets meer.

Een machtige strijdkracht die ineens opkomt en verwoesting en verdriet en ellende en dood veroorzaakt – zo’n machtige strijdkracht hebben we deze zomer zien opkomen – ISIS met haar gruweldaden. En je staat erbij – nou ja – op flinke afstand…je staat erbij en je staat eigenlijk machteloos. Wat moet je nou doen? Schreeuwen net als Habakuk? Roepen om Gods redding? Maar weet wat je roept…

De Amsterdamse theoloog Rikko Voorberg stelt voor om te gaan vloeken. Hij schreef dat in NRCnext, hij schreef dat aan mensen die alle ellende, alle leed om zich heen signaleren en niet weten wat ze ermee aan moeten: zij kennen God niet, ze zullen zichzelf geen christen noemen, ze hebben niemand om aan te roepen. Ze staan machteloos. En voor die machteloze mensen schrijft Rikko: vloek hartgrondig, want gvd betekent niet dat jij Gods verwerping over jezelf afroept, maar dat je God oproept het slechte, het kwade te verdoemen.

Het druist tegen alle fatsoen in om te vloeken. En ik denk ook niet dat je zo’n vloek in de mond moet nemen, want in onze cultuur kun je deze vloek gewoonweg niet anders meer horen dan als vloek, als krachtterm in het luchtledige, als uiting van boosheid, angst, verdriet, leegte. En tegelijkertijd: Rikko bedoelt volgens mij niet iets totaal anders dan Habakuk. Beide geloven en willen blijven geloven dat God redding brengt. Beide willen pleiten op de beloften van God, beide doen een beroep op de macht van God.

Laat dat voor vanavond de les zijn uit dit eerste hoofdstuk van het vreselijke visioen van Habakuk. Te midden van het geweld in deze wereld. Te midden van de goddeloosheid, het onrecht, het misbruik, de verwoesting, de pijn, het verdriet en de leegt moeten we het uitschreeuwen naar God, van Hem onze hulp en redding verwachten. En tegelijkertijd incasseren dat zijn antwoord geen gemakkelijk antwoord is. Zijn antwoord op ons lijden is zíjn lijden. Zijn antwoord op onze eenzaamheid en leegte is de eenzaamheid en de worsteling van zijn Zoon in de tuin van Getsemane. Zijn antwoord op de martelingen in onze tijd zijn de geselslagen van zijn Zoon. Zijn antwoord op de doden van onze wereld is de dood van zijn Zoon.

bewerking van de verkondiging in de Gereformeerde Kerk Ottoland – zondagavond 7 september 2014

Advertenties

3 reacties op “De profetie van Habakuk – hoofdstuk 1

  1. Pingback: De profetie van Habakuk – hoofdstuk 2 | Over leven in een pastorie

  2. Pingback: De profetie van Habakuk – hoofdstuk 3 | Over leven in een pastorie

  3. Menno
    30 september 2014

    Soms denk ik: Habakuk, mijn klomp is stuk….

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s

Informatie

Dit bericht was geplaatst op 11 september 2014 door in Bij een bijbeltekst, Gereformeerde Kerk Ottoland en getagd als , , , , , , , , , , , , , .
%d bloggers liken dit: